Tenoren

Jacques Urlus Louis van Tulder Frans Vroons Hans Kaart John van Kesteren Anton de Ridder

De Nederlandse zanger Jacques (Jacobus) Urlus was een van de belangrijkste tenoren van zijn tijd. Dat is veelzeggend, want Enrico Caruso (1873-1921) was een tijdgenoot van Urlus. Sterker nog, in New York deelde Urlus vijf concertseizoenen lang een kleedkamer van de Metropolitan Opera met zijn vriend en collega Caruso. In 1921 nam Louis van Tulder afscheid van het operatoneel. Hij was namelijk tot het inzicht gekomen dat zijn hoge, lyrische en aanvankelijk niet zo grote stem minder geschikt was voor operazang. Bovendien beschikte hij niet over een groot dramatisch talent. 'Ik kon wel zingen, maar niet acteren', zei hij hierover later. 'Ik was namelijk een houten Klaas. Vooral in de liefdesscènes was ik niets. Dat soort werk kon ik niet als er duizenden ogen op mij gericht waren'. Frans Vroons eerste grote rol was Pelléas in Pelléas et Melisande, onder auspiciën van de Wagnervereeniging, afwisselend onder Pierre Monteux en Johannes den Hertog. Melisande werd vertolkt door de sopraan Greet Koeman, een zangeres waar hij veel mee zou samenwerken. De uitvoering - totaal tien voorstellingen - werd een groot succes en betekende zijn doorbraak.
" ... Een klacht, die overal met overtuiging geuit wordt, is dat onze Nederlandse operazangers niet in Nederland blijven, maar om onverklaarbare redenen liever in het buitenland schijnen te zingen. Neem nu eens zo'n Hans Kaart. De man had hier als toneelspeler een goede boterham, maar desondanks moest en zou hij die carrière opgeven om zanger te worden. Toen hij dacht dat doel bereikt te hebben, kreeg hij hier moeizaam gelegenheid dat te bewijzen, na dat eerst in Karlsruhe gedaan te hebben. Nederland was maar zeer ten dele overtuigd, wat niet wegnam dat de Londenaren hem aan hun Covent Garden engageerden...". John van Kesteren behoort tot een van de grootste naoorlogse Nederlandse zangers, ook al woonde en werkte hij dan grotendeels in München. De mogelijkheden voor grote Nederlandse solisten zijn nu eenmaal - helaas - te beperkt in eigen land en wie wil meetellen op het internationale podium, moet wel een residentie óver de grenzen zoeken. Wat overigens niet hoeft te betekenen, dat de betreffende artiest het vaderland gaat vergeten. De lange, kleurrijke loopbaan van John van Kesteren bewijst dat. Als het maar even kon, wipte de tenor over naar zijn vaderland. Na zijn studie - in 1956 - werd Anton de Ridder aangenomen bij de Opera van Karlsruhe. Daar bleef hij veertig jaar lang aan verbonden, tot 1996. Zijn stem had zich inmiddels ontwikkeld tot een bijzonder fraaie lyrische tenor. Voor een dirigent als Böhm was hij zelfs de eerste keus. Behalve bij de 'Opera van Karlsruhe' gasteerde hij ook vele malen bij andere operahuizen, o.a. bij de opera's van München - gedurende meer dan 25 jaar -, van Duisburg, van Leipzig, van Hamburg, van Berlijn en van Wenen.
Vroons, Frans - (1911-1983)
Le Fèvre, Han
- (1912-2008)
Scheffer, Chris - 1915
Brand, Tom
- (1917-1970)
Zalm, Johan van der
- (1919-1995)
Kaart, Hans - (1920-1963)
Kesteren, John van
- (1921-2008)
Jan Handerson - (1923-1990)
Blanken, Arjan - (1924-2009)
Woerkom, Chris van - (1924-2008)
de Ridder, Anton - (1929-2006)
Caron, Willy - (1934-2010)
Geest, Simon van der - (1935-2001)
Limpt, Adriaan van - (1935-1997)
Goedhart, Wouter - 1941
Delamboye, Hubert - 1945
Meens, Hein - 1952
Van Aken, Frank - 1961
Reijans, Marcel - 1964
Buwalda, Sytse - 1966